

Zoelqarnain
a.s.
<
En zij vragen jou (O Muhammed) over Zoelqarnain. Zeg < Ik zal een geschiedenis
over hem aan jullie voordragen. > Voorwaar, Wij versterkten zijn positie
op aarde en Wij gaven hem voor alle zaken mogelijkheden. Daarop volgde hij
een weg. Totdat, toen hij de plaats van de zonsondergang bereikte, hij haar
onder vond gaan in een modderige bron, en hij trof daarbij een volk aan. Zij
zeiden < O Zoelqarnain: of jij geeft hun een bestraffing, of jij behandelt
hen met goedheid. > Hij zei < Wat betreft degene die onrechtvaardig
is: wij zullen hem straffen, waarna hij tot zijn Heer teruggezonden zal worden,
en Hij zal hem dan straffen met een verschrikkelijke bestraffing. Maar wat
betreft degene, die gelooft en goede werken verricht: voor hem zal er een
goede beloning zijn en wij zullen hem van ons bevel zeggen het gemakkelijke
(te doen). > Daarop volgde hij een weg. Totdat, toen hij de plaats van
zonsopgang bereikte, hij haar over een volk zag opgaan aan wie Wij geen bedekking
hadden doen toekomen. Zo was het (en hij liet hen met rust). En Wij omvatten
waarlijk met Onze kennis wat bij hem was. Daarop volgde hij een weg. Totdat,
toen hij tussen de twee bergen kwam, waar hij een volk aantrof die nauwelijks
een woord begreep. Zij zeiden < O Zoelqarnain, (de volken van) Ya`djoedj
en Ma`djoedj zijn verderfzaaiers op aarde. Zullen wij jou een vergoeding geven
opdat jij tussen ons en hen een afscheiding maakt? > Hij (Zoelqarnain)
zei < (de macht) waarmee mijn Heer mij voorzien heeft is beter. Helpt mij
daarom met kracht, opdat ik een sterke muur tussen jullie en hen zal bouwen.
Brengt mij brokken ijzer. > Totdat, toen (de ruimte) tussen de twee hellingen
gevuld had, hij zei < Blaast. > Totdat, toen het roodgloeiend werd,
hij zei < Brengt mij gesmolten ijzer om het eroverheen te gieten. >
En zij waren niet in staat om het te beklimmen en niet om er door heen te
breken. Hij (Zoelqarnain) zei < Dit is de Barmhartigheid van mijn Heer.
Maar als de belofte van mijn Heer komt, maar Hij het tot stof. En de belofte
van mijn Heer is de Waarheid. > Q. 18:83-98