

Allah
de verhevene
Engelen
Imran
Meryem (Maria)
Iblis (Satan)
Christenen
Joden
Quran
Profeten
Adam a.s. (Adam)
Idris a.s.
Noeh a.s. (Noah)
Hoed a.s.
Salih a.s.
Ibrahim a.s.(Abraham)
Loeth a.s. (Lot)
Ismail a.s. (Ismael)
Ishaq a.s. (Isaak)
Ya`qoeb a.s. (Jakob)
Yoesoef a.s. (Jozef)
Ayyoeb a.s. (Job)
Suayb a.s.
Musa a.s. (Mozes)
Oezeyr a.s.
Zoelqarnain a.s.
Haroen a.s. (Aron)
Dawud a.s. (David)
Soelaiman a.s. (Salomon)
Ilyas a.s.
Elyesa a.s.
Zoelkifl a.s.
Yoenoes a.s. (Jonah)
Loqman a.s.
Zakariyya a.s. (Zacharias)
Yahya a.s. (Johannes)
`Isa a.s. (Jezus)
Muhammed s.a.w.s.
Soelaiman
a.s.
< En Wij schonken Dawud Soelaiman, de beste dienaar. Voorwaar, hij is
de meest berouwtonende. (Gedenkt) Toen hem in de avond de snelle raspaarden
werden getoond. Toen zei hij < Voorwaar, ik koesterde de liefde voor het
goede ten koste van het gedenken van mijn Heer, totdat zij onzichtbaar werden
door de zonsondergang. Breng ze naar mij terug. > Daarna begon hij (de
paarden) over de benen en de halzen te strijken. En voorzeker, Wij hebben
Soelaiman op de proef gesteld en Wij zetten (hem) op zijn zetel, als een lichaam,
waarna hij berouw toonde. Hij zei < Mijn Heer, vergeef mij, en schenk mij
een koninkrijk dat niemand na mij ooit zal bezitten. Voorwaar, U bent de Schenker.
> En Wij maakten de wind aan hem dienstbaar, die volgzaam waaide op zijn
bevel, waarheen hij wilde. En (ook) de Satans, allen waren bouwers en duikers.
En andere (Satans) vastgebonden in ketenen. Dat is een geschenk van Ons, geef
(het) dan weg of houd (het) achter; zonder afrekening. En voorwaar, voor hem
is er bij Ons zeker (Onze) nabijheid en de beste plaats van terugkeer. >
Q. 38:30-40
< En zij volgden wat de Satans voorlazen ten tijde van Soelaiman`s koninkrijk
en Soelaiman was niet ongelovig, maar de Satans waren ongelovig, zij onderwezen
de mensen tovenarij (Sihr) en wat was neergezonden te Babel aan de twee Engelen
Haroet en Maroet*. En geen van beiden geven onderricht, zonder dat zij zeiden
< Voorwaar, wij zijn slechts een beproeving, weest daarom niet ongelovig.
> Zo leerden zij van hen (tovenarij), dat wat een scheiding veroorzaakte
tussen een man en zij echtgenote. En zij schaadden daarmee niemand, behalve
met toestemming van Allah. En zij (de Mensen) leerden wat hen schaadde en
hen niet baatte. En voorzeker, zij wisten dat, wie dat (tovenarij) koop, geen
aandeel zal hebben in het Hiernamaals. En slecht is het waarvoor zij hun zielen
verkochten, als zij het maar wisten. En als zij hadden geloofd en (Allah)
hadden gevreesd, dan zou (hun) beloning bij Allah beter geweest zijn. Als
zij het maar wisten. >
Q. 2: 101-103
* Deze twee Engelen onderwezen de mens as-Sihr, de tovenarij. Zij deden dat
niet om de mensen tot dwaling te brengen, maar om de mensen te waarschuwen.
Zij leerden de mensen tovenarij te gebruiken om de tovenarij te kunnen bestrijden.
Maar de mensen maakten hiervan misbruik, bijvoorbeeld door te proberen om
het behulp van tovenarij een scheiding tussen een man en een vrouw teweeg
te brengen. In vele Verzen wordt over tovenarij gesproken, vooral in de Verzen
die over Musa en Firaun gaan. De twee laatste Soerah`s van de Koran worden
al Moe`awwidzatain, genoemd. Onder andere met deze Sierah`s kan de mens zijn
toevlucht tot Allah zoeken tegen de gevaren van tovenarij. Hij gebruik maken
van as-Sihr is in de Islam onder alle omstandigheden verboden.
De
gunsten die aan Soelaiman a.s. gegeven waren
< En (gedenk) Dawud
en Soelaiman toen zij een oordeel gaven over het akkerland, waarop de schapen
van het volk grazend rondgelopen hadden. En Wij waren getuigen van hun oordeel.
En Wij deden Soelaiman (de zaak) begrijpen. En aan ieder van hen gven Wij
wijsheid en kennis. En Wij maakten Dawud met de bergen en de vogels dienstbaar
om (Allah`s) glorie te prijzen, En Wij waren het Die dat deden. En Wij leerden
hem kleding (maliënkolders) te maken om jiullie te beschermen in jullie
oorlog. Zullen jullie dan dankbaar zijn. En aan Soelaiman (onderwierpen Wij)
de stormachtige wind, die met Zijn verlof naar het land bewoog dat Wij gezegend
hadden. En Wij zijn Alwetend over alle zaken. En van de Satans doken er voor
hem en zij verrichtten daarnaast ander werk. En wij waren Wakers over hen.
> Q. 21:78-80
Soelaiman
a.s. had macht over de wind
< En voor Soelaiman (onderwierpen Wij) de winden. Het waaien ervan in de
ochtend duurt een maan en in de avond duurt het een maand. En Wij maakten
het brons voor hem tot een loeiende bron. En onder de Djin`s waren er die
voor hem werkten, met toestemming van zijn Heer. En wie van hen afweek van
Ons bevel, die doen Wij de bestraffing van het laaiende vuur (de Hel) proeven.
Zij maakten voor hem wat hij wilde; hoge gebouwen, beelden en schalen zo groot
als vijvers en onverplaatsbare ketels. Werkt O familie van Dawud, uit dankbaarheid.
Maar, weinigen van Mijn dienaren zij dankbaar. > Q. 34:12-13
Soelaiman
a.s. kende de taal van de dieren
< En voorzeker, Wij gaven
de kennis aan Dawoe en Soelaiman, en beide zeiden zij < Alle lof zij Allah,
Degene Die ons heeft bevorrecht boven belen van Zijn gelovige dienaren. >
En Soelaiman volgde Dawud op. En hij zei < O mensen, aan ons is de taal
van de vogels onderwerzen, en ons is alles gegeven. Voorwaar, dit is zeker
een duidelijke gunst. > En voor Soelaiman weden zijn troepen verzameld:
de Djins en de mensen en de vogels, en zij werden in rijen opgesteld. Totdat
zij langs de vallei van de mieren kwamen, en een mier zei < O jullie mieren,
gaat jullie woningen binnen, anderszullen Soelaiman en zij troepen jullie
vertrappen, zonder dat zij het beseffen! > Toen glimlachte hij (Soelauman)
om haar woorden, en zei < Mijn Heer, maak mij dankbaar voor Uw gunst die
U mij en mijn ouders schonk, en doe mij goede daden verrichten, waar U Uw
welgevallen op doet rusten. En laat mij, door Uw Barmhartigheid, behoren tot
Uw rechtschapen dienaren. > Q. 27:15-19
Het
verhaal van Soelaiman a.s., de zon aanbiddende koninging
En hij inspecteerde de vogels, toen zei hij < Hoe komt het dat ik de hop
niet zie? Of behoort hij tot de afwezigen > Ik zal hem zeker een strenge
bestraffing opleggen of ik zal hem zeker slachten, of hij zal bij mij moeten
komen met een duidelijke reden. > Daarop bleef hij niet lang afwezig, en
hij zei < Ik weet iets waarvan jij niet niet weet. En ik breng jou uit
Aaba`overtuigende berichten. Voorwaar, ik heb gezien dat een vrouw over hen
heerst en zij beschikt over alle zaken en zij heeft een geweldige troon. Ik
heb gezien dat zij en haar volk knielen voor de zon, naast Allah. En dat de
Satan hun hun daden schoon doet toeschijnen en hen daarmee afleidt van de
Weg. Zij volgen dus een Leiding zodat zij zich niet voor Allah neerknielen,
Degene Die voortbrengt wat verborgen is in de hemelen en op de aarde, en Die
weet wat jullie verbergen en wat jullie openlijk doen. Allah er is geen god
dan Hij, de Heer van de Geweldige Troon. > Hij (Soelaiman) zei < Wij
zullen zien of jij de waarheid verteld hebt of dat jij tot de leugenaars behoort.
Ga heen met deze brief en geef hem aan hen; wend je dan van hen af. Zij zei
< O vooraanstaanden, aan mij is een edele brief bezorgd. Voorwaar, hij
komt van Soelaiman en voorwaar, hij Luidt < In de Naam van Allah, de Erbarmer,
de Meest Barmhartige. Verhef jezelf niet in hoogmoed boven mij en komt naar
mij als overgegevenen. > Zij zei < O vooraanstaanden, geeft mij raad
in mijn zaak. Ik nam geen besluit over een zaak voordat julie er getuigen
van waren. > Zij zeiden < Wij beschikken over macht en wij beschikken
over grote moed, maar de zaak berust bij U, zie daarom maar wat U beveelt.
> Zei zij < Voorwaar, wanneer de koningen een stad binnengingen, zaaiden
zij daar verderf en maakten zij de edelen onder haar inwoners tot vernederden;
en zo handelen zij. En voorwaar, ik zal hun een geschenk sturen en zien waarmee
de gezanten terugkeren. > Maar toen hij (de gezant) bij Soelaiman kwam,
zei hij < Zouden jullie mij met bezit steunen? Dat wat Allah gegeven heeft
is beter dan wat Hij jullie gegeven heeft. Maar jullie verheugen je over jullie
geschenk. Keer naar hen terug, wij komen zeker met troepen nar hen, waartegen
zij geen verzet kunnen bieden. En Wij zullen hen zeker daaruit verdrijven,
vernederd, terwijl zij onderworpenen zijn. Hij zei < O vooraanstaanden,
wie van jullie brengt mij haar troon, voordat zij naar mij komen als overgegevenen.
> Een Iftir van de Djin`s zei < Ik zal hem naar jou brengen voordat
jij van jouw plaats opstaat en voorwaar, ik ben zeker een betrouwbare kracht
daartoe. > Degenen met kennis van Schrift zei < ik zal hem in een oogwenk
naar jou toebrengen. > En toen hij vóór zoch geplaatst zag,
zei hij < Dit is een gunst van mijn Heer, om mij op de proef te stellen
of ik dankbaar zal zijn of ik ondeankbaar zal zijn. Maar hij die dankbaar
is, is slechts dankbaar voor zichzelf. En wie ondankbaar is: voorwaar, mijn
Heer is Behoeftloos, Edel > Hij (Soelaiman) zei < Maak haar troon onherkenbaar
voor heer, zodat wij zien of zij herkent of dat zij behoort tot degenen die
niet herkennen. > Toen zij aankwam, werd haar gezegd < Is dit jou troon?
> Zei zij < Het is alsof hij het is. > (Soelaiman zei) < Aan ons
is vóór haar al kennis gegeven en wij gaven ons (aan Allah)
over. En zij werd verhinderd door wat zij naast Allah aanbad. Voorwaar, zij
behoorde tot het ongelovige volk. Er werd tegen haar gezegd < Treed het
paleis binnen. > Toen zij het zag, dacht zij dat het een waterplas was
en zij trok (haar gewaad) op van haar benen. Hij zei < Het is een paleis
dat betegeld is met glas. > Zij zei < Mijn Heer, voorwaar, ik heb mijzelf
onrecht aangedaan en ik geef mij met Soelaiman over aan Allah, de Heer der
Werelden. > Q. 27:20-45
< Toen Wij dan voor hem (Soelaiman) de dood bedden beschikt, was er niets dat hen op zijn dood wees, behalve de diertjes van de aarde die zijn staf opaten. Toen hij (zijn lichaam) was gevallen, was het de Djin's duidelijk (dat hij dood was). Hadden zij maar kennis gehad over het onwaarneembare, dan zouden zij niet in de vernederende bestraffing zijn gebleven. > Q. 34:14